Innovatie

Om meerdere redenen is innovatie van levensbelang voor een goed functionerende economie. In de eerste plaats kan het bijdragen tot versterking van de internationale concurrentiepositie. Daarnaast kan het bijdragen tot het dempen van de effecten van een vergrijzende bevolkingssamenstelling, in die zin dat de kosten van de afhankelijkheidsratio beter te dragen zijn.

De innovativiteit van een economie laat zich moeilijk kwantificeren. Het is algemeen gebruik om de  innovativiteit te benaderen door te kijken naar aspecten als kennisintensiviteit van de werkgelegenheid, het totaal aandeel R&D-personeel (zowel in bedrijfsleven als in onderwijs/overheid) alsmede hoogtechnologische werkgelegenheid.

Om de mate van kennisintensieve werkgelegenheid te bepalen is gekeken naar het aandeel hogeropgeleide werknemers binnen een sector. Wanneer dit aandeel hoger is dan een derde van de werkgelegenheid in die sector, is sprake van een kennisintensieve sector. Alle sectoren bij elkaar nemend is een aandeel kennisintensieve werkgelegenheid te bepalen. In de periode 2008-2016 is vanaf 2010 een groei van de kennisintensieve werkgelegenheid te zien, waarbij het aandeel in 2016 in zowel de VNDelta als Nederland en het Vlaams Gewest rond de 46% uitkomt.

 


De groei is ook terug te zien in de evolutie van het R&D-personeel. Het aandeel R&D-personeel in de werkgelegenheid bevindt zich in de buurt van de 2,5%. Anders gezegd, 1 op de 40 tewerkgestelden is een belangrijk deel van zijn werktijd bezig met R&D.

Als daar de hoogtechnologische werkgelegenheid, werkgelegenheid in de sector ‘high technology en services’ naast wordt gezet, dan is een ander patroon te zien. Waar bij de eerdere twee indicatoren sprake is van enige groei, beweegt het aandeel zich hier vrij stabiel in de buurt van de 4%. Dit is het geval voor zowel de VNDelta als het Vlaams Gewest en Nederland.